|
*
INLEIDING
A. Bronnen en toepassing
van het recht
(art. 1)
B.
Inhoud van rechtsbetrekkingen
(art. 2-4)
C. Bepalingen van algemene aard
(art. 5)
D. Bewijsregels
(art. 6-7)
*
BOEK EEN -
PERSONENRECHT
-
DEEL EEN - NATUURLIJKE PERSONEN
TITEL EEN
- PERSOONLIJKHEID
A. In het algemeen
I.
Rechtsbevoegdheid (art. 8)
II.
Handelingsbekwaamheid (art. 9-13)
III.
Handelingsonbekwaamheid (art. 14-16)
IV.
Verwantschap (art. 17-18)
V. Woonplaats
(art. 19-22)
B. Bescherming van de persoonlijkheid
I. Tegen het
afzien en excessief beperken (art. 23)
II. Tegen
aantasting (art. 24-25)
III. Recht
betreffende de naam (art. 26-27)
C. Het begin en einde van de persoonlijkheid
I. Geboorte en
overlijden (art. 28)
II. Bewijs van
het in leven en dood zijn (art. 29-31)
III.
Beslissing van vermissing (art. 32-35)
TITEL TWEE - REGISTER VAN DE BURGERLIJKE STAND
A. In het algemeen
I. Register
(art. 36)
II. Bevoegde
ambtenaar (art. 37)
III.
Aansprakelijkheid (art. 38)
IV.
Verbetering (art. 39-40)
B. Register van geboorten
I. Aangifte
(art. 41)
II.
Veranderingen in het geboorteregister (art. 42)
C. Register van overlijden
I. Aangifte
van overlijden (art. 43)
II. Vermist
persoon (art. 44)
III.
Beslissing omtrent vermissing (art. 45)
IV. Aanbrengen
van veranderingen in het register (art. 46)
-
DEEL TWEE - RECHTSPERSONEN
(artikelen
47 117: zijn niet opgenomen)
* BOEK TWEE -
FAMILIERECHT
-
DEEL EEN - HUWELIJKSRECHT
TITEL EEN - HUWELIJKSSLUITING
EERSTE AFDELING - DE VERLOVING
A. Verloving (art. 118)
B. Bepalingen inzake het verloofd zijn
I.
Afwezigheid van het recht op een rechtszaak (art. 119)
II.
Gevolgen van de verbreking van de verloving (art. 120-121)
III.
Teruggave van geschenken (art. 122)
IV. Verjaring
(art. 123)
TWEEDE
AFDELING -
HUWELIJKSBEVOEGDHEID EN HUWELIJKSBELETSELEN
A. Voorwaarden van huwelijksbevoegdheid
I. Leeftijd
(art. 124)
II.
Onderscheidingsvermogen (art. 125)
III.
Toestemming van wettelijke vertegenwoordiger (art. 126-128)
B. Huwelijksbeletselen
I.
Verwantschap (art. 129)
II. Eerdere
huwelijk (art. 130-132)
III.
Geestelijke stoornis (art. 133)
DERDE AFDELING
- AANGIFTE EN HUWELIJKSSLUITING
A. Aangifte
I. Plaats van
aangifte (art. 134)
II. Vorm (art.
135)
III.
Documenten (art. 136)
IV.
Onderzoek van de aangifte en de afwijzing (art. 137)
V.
Bezwaar tegen de afwijzing en methode van oordelen (art. 138)
B. Huwelijkssluiting en registratie
I.
Voorwaarden
(art. 139-140)
II.
Uitvoering (art. 141-143)
C. Ambtelijke voorschriften (art. 144)
VIERDE
AFDELING - ONGELDIGE HUWELIJKEN
A. Nietigheid
I. Gronden (art. 145)
II.
De bevoegdheid en het recht om een rechtszaak te beginnen (art. 146)
III.
Beperking of opheffing van het recht om een rechtszaak te voeren (art. 147)
B. Relatieve nietigheid
I. Rechten van echtgenoten (art. 148-152)
II. Het
recht van de wettelijke vertegenwoordiger om een rechtszaak te beginnen
(art. 153)
C. Redenen die geen vernietiging meebrengen
I. Zich niet houden aan de wachttijd (art. 154)
II.
Niet voldoen aan vormvoorschriften (art. 155)
D. Beslissing van ongeldigheid
I. In het algemeen (art. 156)
II. Gevolgen (art. 157-158)
E. Het recht van erfgenamen om een rechtszaak te voeren
(art. 159)
F. Bevoegdheid en de wijze van procederen
(art. 160)
TITEL TWEE
ECHTSCHEIDING
A. Echtscheidingsgronden
I.
Overspel
(art. 161)
II.
Levensbedreiging, slechte behandeling en aantasting van eer (art. 162)
III.
Het plegen van een strafbaar feit en het leiden van een eerloos leven (art.
163)
IV.
Verlating (art. 164)
V.
Geestelijke stoornis (art. 165)
VI.
Duurzame ontwrichting (art. 166)
I.
Onderwerp (art. 167)
II.Bevoegdheid (art. 168)
III.
Voorlopige voorzieningen (art. 169)
C. Beslissing
I.
Echtscheiding
of scheiding van tafel en bed (art. 170)
II.
Termijn van scheiding van tafel en bed (art. 171)
III. Einde van de periode van scheiding van tafel en bed (art. 172)
IV. Persoonlijke staat van de gescheiden vrouw (art. 173)
V. Schadevergoeding en alimentatie bij echtscheiding (art. 174-178)
VI.
Ontbinding huwelijksvermogen (art. 179-180)
VII. Erfrecht (art. 181)
VIII.
De rechten van moeder en vader ten aanzien van de kinderen (art. 182-183)
D. Wijze van procederen bij echtscheiding
(art. 184)
TITEL DRIE -
ALGEMENE BEPALINGEN OMTRENT HET HUWELIJK
A. Rechten en verplichtingen
I.
Algemeen (art. 185)
II.
Keuze van de woning, bestuur van de gemeenschap, bijdrage aan de uitgaven
(art. 186)
III.
Geslachtsnaam van de vrouw (art. 187)
B.
Vertegenwoordiging van de gemeenschap
I.
Vertegenwoordigingsbevoegdheid van de echtgenoten (art. 188)
II.
Aansprakelijkheid (art. 189)
III. Ontneming
en/of beperking van de vertegenwoordigingsbevoegdheid (art. 190)
IV. Herstel
van de vertegenwoordigingsbevoegdheid (art. 191)
C. Beroep en bedrijf van de echtgenoten
(art. 192)
D. Rechtshandelingen van de echtgenoten
I. Algemeen
(art. 193)
II. Echtelijke
woning (art. 194)
E.
Bescherming van de gemeenschap
I. Algemeen
(art. 195)
II.
Tijdens het
samenleven van de echtgenoten (art. 196)
III.
Onderbreking van de samenleving (art. 197)
IV.
Voorzieningen behorend bij schuldenaars (art. 198)
V. Begrenzing
van beschikkingsbevoegdheid (art. 199)
VI. Wijziging
van de omstandigheid (art. 200)
VII.
Bevoegdheid (art.
201)
TITEL VIER -
HUWELIJKSGOEDERENREGIME TUSSEN ECHTGENOTEN
EERSTE
AFDELING - ALGEMENE BEPALINGEN
A. Wettelijke huwelijksgoederenregime
(art. 202)
B. Overeenkomst inzake huwelijksgoederenregime
I. Inhoud van
de overeenkomst (art. 203)
II.
Bevoegdheid tot sluiting van een overeenkomst (art. 204)
III.
Vorm van overeenkomst (art. 205)
C. Buitengewoon huwelijksgoederenregime
I. Op
verzoek van een van de echtgenoten (art. 206-208)
II. Bij
gedwongen executie (art. 209-211)
III.
Vereffening van eerder regime (art. 212)
D. Bescherming van schuldeisers
(art. 213)
E. Bevoegdheid in rechtszaken tot vereffening huwelijksgoederenregime
(art. 214)
F. Bestuur van de goederen van een echtgenoot door de ander
(art. 215)
G. Boedelbeschrijving
(art. 216)
H. Schulden tussen echtgenoten
(art. 217)
TWEEDE
AFDELING - HET REGIME VAN VERWERVINGSDEELNEMING
A. Eigendom
I.
Inhoud (art. 218)
II.
Verwervingen (art. 219)
III.
Persoonlijke vermogen (art. 220-221)
IV.
Bewijs (art. 222)
B. Beheer, gebruik en beschikking
(art. 223)
C. Aansprakelijkheid jegens derden
(art. 224)
D. Beëindiging van huwelijksgoederenregime en vereffening
I. Tijdstip
van beëindiging (art. 225)
II. Terugname
van goederen; schulden (art. 226-227)
III.
Berekening van aandeel van de echtgenoten (art. 228-231)
IV.
Waardebepaling (art. 232-235)
V. Deelname in
de nettowaarde (art. 236-238)
VI. Betaling
van aanspraak uit [verwervings-]deelneming
en van aandeel in vermeerderde waarde (art. 239-241)
DERDE AFDELING
- ALGEHELE SCHEIDING VAN GOEDEREN
A. Bestuur, gebruik en beschikking
(art. 242)
B. Overige bepalingen
(art. 243)
VIERDE AFDELING
-
BEPERKTE SCHEIDING VAN GOEDEREN
A. Bestuur, gebruik en beschikking
I. In het
algemeen (art. 244)
II. Bewijs
(art. 245)
B. Aansprakelijkheid voor schulden
(art. 246)
C. Einde huwelijksgoederenregime en vereffening
I. Tijdstip
van einde (art. 247)
II. Terugname
van goederen en afgifte van goederen in mede-eigendom (art. 248-249)
III. Voor het
gezin bestemde goederen (art. 250-253)
IV. Echtelijke
woning en huisraad (art. 254-255)
VIJFDE
AFDELING
- GEMEENSCHAP
VAN GOEDEREN
A. Eigendom
I. Omvang
(art. 256)
II.
Gemeenschapsvermogen (art. 257-259)
III.
Persoonlijk vermogen (art. 260)
IV Bewijs
(art. 261)
B. Bestuur en beschikking
I. Bij
gemeenschapsvermogen (art. 262-266)
II.
Persoonlijk vermogen (art. 267)
C. Aansprakelijkheid jegens derden
I. Schulden
van de gemeenschap (art. 268)
II.
Persoonlijke schulden (art. 269)
D. Schulden tussen echtgenoten
(art. 270)
E. Beëindiging van huwelijksgoederenregime en vereffening
I. Tijdstip
van beëindiging (art. 271)
II. Toevoeging
aan persoonlijk vermogen (art. 272)
III.
Verrekening tussen persoonlijk vermogen en gemeenschapsvermogen (art. 273)
IV. Aandeel in
vermeerderde waarde (art. 274)
V.
Waardebepaling (art. 275)
VI. Verdeling
(art. 276-277)
VII. Wijze van
verdeling (art. 278-281)
-
DEEL TWEE - VERWANTSCHAP
TITEL EEN ONTSTAAN VAN VERWANTSCHAP
Eerste afdeling Algemene bepalingen
A. Ontstaan van verwantschap in het algemeen
(art.
282)
B. Bevoegdheid en wijze van procederen
I. Bevoegdheid
(art. 283)
II. Wijze van
beoordeling (art. 284)
Tweede afdeling - Vaderschap van de echtgenoot
A. Vermoeden van vaderschap
(art. 285)
B. Ontkenning van verwantschap
I. Recht op
een rechtszaak
(art. 286)
II. Bewijs
(art. 287-288)
III.
Vervaltermijnen (art. 289)
C. Samenloop van vermoedens
(art. 290)
D. Recht op rechtszaak van andere belanghebbenden
(art. 291)
E. Latere huwelijkssluiting
I. Voorwaarden
(art. 292)
II. Aangifte
(art.
293)
III. Bezwaar
en vernietiging (art. 294)
Derde afdeling - Erkenning en gevolgen van vaderschap
A. Erkenning
I. Voorwaarde
en vorm (art. 295)
II. Aangifte
(art. 296)
III. Procedure
tot vernietiging (art. 297-300)
B. Gevolg van vaderschap
I. Recht op
een rechtszaak (art. 301)
II. Vermoeden
(art. 302)
III.
Vervaltermijnen (art. 303)
IV. De
financiële rechten van de moeder
Vierde afdeling - Adoptie
A. Adoptie van minderjarigen
I.
Algemene voorwaarden (art. 305)
II.
Gezamenlijke adoptie (art. 306)
III.
Eenpersoons adoptie (art. 307)
IV.
Toestemming en leeftijd van de minderjarige (art. 308)
V. Toestemming
van moeder en vader (art. 309-312)
B. Adoptie van meerderjarigen en onder curatele gestelden
(art. 313)
C. Gevolgen
(art. 314)
D. Vorm en wijze
I. Algemeen
(art. 315)
II. Onderzoek
(art. 316)
E. Beëindiging van de adoptieverhouding
I.
Oorzaken (art. 317318)
II.
Vervaltermijn
F. Adoptiebemiddeling
(art. 320)
Vijfde afdeling - Gevolgen van Verwantschap
A. Geslachtsnaam
(art. 321)
B. Wederzijdse verplichtingen
(art. 322)
C. Persoonlijke verhouding met het kind
I. Moeder en
vader (art. 323-324)
II. Derden
(art. 325)
III.
Bevoegdheid (art. 326)
D. Vergoeding van kosten van verzorging en opvoeding van kinderen
I. Omvang
(art. 327)
II. D
uur (art. 328)
III. Recht op
rechtszaak (art. 329)
IV.
Vaststelling van bedrag ter zake van levensonderhoud (art. 330)
V. Wijziging
van omstandigheden (art. 331)
VI. Voorlopige
maatregelen (art. 332)
VII.
Zekerheidstelling (art. 334)
Zesde Afdeling - Gezag
A. In het algemeen
I. Voorwaarde
(art. 335)
II. Indien
moeder en vader gehuwd zijn (art. 336)
III. Indien
moeder en vader niet gehuwd zijn (art. 337)
IV.
Stiefkinderen (art. 338)
B. Omvang van gezag
I. In het
algemeen (art. 339)
II. Opvoeding
(art. 340)
III.
Godsdienstige opvoeding (art. 341)
IV.
Vertegenwoordiging van het kind (art. 342)
V.
Handelingsbekwaamheid van het kind (art. 343)
VI.
Vertegenwoordiging van het gezin door het kind (art. 344)
VII.
Rechtshandelingen tussen het kind en de moeder en vader (art. 345)
C. Bescherming van het kind
I.
Beschermingsmaatregelen (art. 346)
II.
Uithuisplaatsing van kinderen (art. 347)
III.
Ontheffing uit het gezag (art. 348)
IV. Wijziging
van omstandigheden (art. 351)
Zevende afdeling - Vermogen van het kind
A. Beheer
I. In
het algemeen (art. 352)
II. Bij
beëindiging van het huwelijk (art. 353)
B. Gebruiksrecht
(art. 354)
C. Besteding van de opbrengsten
(art. 355)
D. Gedeeltelijke besteding van het vermogen van het kind
(art. 356)
E. Vrij vermogen van het kind
I.
Begunstigingen (art. 357)
II.
Legitieme portie (art. 358)
III.
Vermogen gegeven voor uitoefening van beroep of bedrijf, en eigen inkomen
(art. 359)
F. Bescherming van het vermogen van het kind
I.
Maatregelen (art. 360)
II. Ontneming
van bevoegdheid van moeder en vader tot beheer (art. 361)
G. Beëindiging van het beheer
I. Overdracht
van het vermogen (art. 362)
II.
Aansprakelijkheid van moeder en vader (art. 363)
TITEL TWEE - VERWANTSCHAP FAMILIE
(artikelen
364-395: wacht op vertaling)
-
DEEL DRIE - VOOGDIJ
(artikelen
396-494: wacht op vertaling)
*
BOEK DRIE ERFRECHT
-
DEEL EEN: ERFGENAMEN
TITEL EEN: ERFGENAMEN BIJ VERSTERF
A. Bloedverwanten
I.
Afstammelingen (art. 495)
II. Moeder en
vader (art. 496)
III.
Grootmoeder en grootvader (art. 497)
IV. Verwanten
buiten huwelijk (art. 498)
B. Langstlevende echtgenoot
(art. 499)
C. Adoptie
(art. 500)
D. Staat
(art. 501)
- DEEL TWEE -
BESCHIKKINGEN TER ZAKE DES DOODS
EERSTE
AFDELING - BEKWAAMHEID OM TE BESCHIKKEN
A. Bekwaamheid
I. Bij
testament (art. 502)
II. Bij
overeenkomst inzake erfopvolging (art. 503)
B. Wilsgebrek
(art. 504)
TWEEDE
AFDELING - BESCHIKKINGSVRIJHEID
A. Beschikbare deel
I. Omvang
(art. 505)
II. Legitieme
portie (art. 506)
III.
Berekening van het beschikbare deel (art. 507-509)
B. Onterving
I. Gronden
(art. 510)
II. Werking
(art. 511)
III.
Bewijslast (art. 512)
IV. Onterving
op grond van onvermogen schulden te betalen (art. 513)
DERDE AFDELING
- SOORTEN VAN BESCHIKKINGEN TER ZAKE DES DOODS
A. Algemeen
(art. 514)
B. Voorwaarden en lasten
(art. 515)
C. Benoeming van erfgenamen
(art. 516)
D. Een bepaald goed nalaten
I. Onderwerp
(art. 517)
II.
Verplichting tot levering (art. 518)
III.
Verhouding tot de boedel (art. 519)
E. Benoeming van een reserve-erfgenaam
(art. 520)
F. Erfstelling over de hand
I.
Vaststelling (art. 521)
II.
Overgang op de verwachter
(art. 522)
III.
Zekerheid
(art. 523)
IV.
Werking
(art. 524-525)
G. Stichting
(art. 526)
H. Overeenkomsten inzake erfopvolging
I.
Positieve overeenkomst inzake erfopvolging
(art. 527)
II.
Overeenkomst inzake afstand van nalatenschap
(art. 528-530)
VIERDE AFDELING - VORMEN VAN BESCHIKKINGEN TER ZAKE DES DOODS
A. Testament
I.
Vormen
(art. 531-541)
II. Herroepen
van een testament (art. 542-544)
B. Overeenkomst inzake erfopvolging
I.
Vorm
(art. 545)
II.
Vernietiging
(art. 546-548)
C. Vermindering van het beschikbare deel
(art. 549)
VIJFDE
AFDELING - EXECUTEUR TESTAMENTAIR
A. Benoeming
I. Benoeming
en bevoegdheid
(art. 550)
II. Meerdere
executeurs testamentair (art. 551)
B. Taken en bevoegdheden
I. Algemeen
(art. 552)
II.
Beschikking over boedelgoederen (art. 553)
C. Einde van de opdracht
(art. 554)
D. Toezicht
(art. 555)
E. Aansprakelijkheid
(art. 556)
ZESDE AFDELING
en
volgende
(artikelen
557-681: wachten op vertaling)
*
BOEK VIER - ZAKENRECHT
(artikelen
682-1027: worden niet vertaald)
De wet die buiten werking wordt gesteld
(art.
1028)
Inwerkingtreding
(art. 1029)
Uitvoering
(art. 1030).
* - * -* - * -
*
Wet inzake de
invoering en toepassing van het Turks Burgerlijk Wetboek
AFDELING EEN
ALGEMENE BEPALINGEN
A. Geen terugwerkende kracht
(art. 1)
B. Terugwerkende kracht
I. Openbare
orde en algemene zedelijkheid (art. 2)
II.
Verhoudingen waarvan de inhoud door de wet wordt bepaald (art. 3)
III. Verworven
rechten (art. 4)
AFDELING TWEE
PERSONENRECHT
A. Handelingsbekwaamheid
(art. 5)
B. Beslissing van vermissing
(art. 6)
C. Verenigingen
(art. 7: wordt
niet vertaald)
D. Stichtingen
(art. 8: wordt
niet vertaald)
AFDELING DRIE
FAMILIERECHT
A. Huwelijkssluiting, echtscheiding en algemene bepalingen inzake huwelijk
(art. 9)
B. Huwelijksgoederenregimes
(art. 10)
C. Bescherming van derden
(art. 11)
D. Verwantschap
(art. 12)
E. Rechtszaak betreffende het vaderschap
(art. 13)
F.
Adoptie
(art. 14)
G. Gezag (art. 15)
H.
Voogdij
(art. 16)
AFDELING VIER
ERFRECHT
A. Erfgenaamschap en overgang van de nalatenschap
(art. 17)
AFDELING VIJF
GOEDERENRECHT
(art. 18 en
19: worden niet vertaald)
AFDELING ZES
OVERIGE BEPALINGEN
A. Vervaltermijnen en verjaringstermijnen
(art. 20)
B.C.
(art. 21 en 22
worden niet vertaald)
D. De wet die buitenwerking wordt gesteld
(art. 23)
E. Inwerkingtreding
(art. 24)
F. Uitvoering
(art. 25)
BURGERLIJK WETBOEK
INLEIDING
A. Bronnen en toepassing van het recht
ARTIKEL 1.-
De wet is naar zijn bewoordingen en inhoud van toepassing op alle
onderwerpen waarop hij betrekking heeft.
Kan in de wet geen toepasselijke
bepaling gevonden worden dan beslist de rechter overeenkomstig de regels van
gewoonte en gebruik en bij afwezigheid daarvan overeenkomstig de regel die
hij zou opstellen als hij wetgever was geweest.
Bij het wijzen van de beslissing
maakt de rechter gebruik van wetenschappelijke opvattingen en rechterlijke
beslissingen.
B.
Inhoud van rechtsbetrekkingen
I. Handelen naar behoren
ARTIKEL 2.-
Ieder is gehouden bij de uitoefening van zijn rechten en bij de nakoming van
zijn plichten naar de regels van behoorlijkheid te handelen.
Het kennelijke misbruik van een
recht wordt rechtens niet beschermd.
II. Goede trouw
ARTIKEL 3.-
In de gevallen waarin de wet aan de goede trouw een rechtsgevolg verbindt,
wordt de aanwezigheid van de goede trouw aangenomen.
Echter, wie niet voldoet aan de
zorgvuldigheid die naar de omstandigheden van het geval van hem verlangd kan
worden, kan zich niet op goede trouw beroepen.
III. Rechterlijke
beoordelingsbevoegdheid
ARTIKEL 4.-
Indien de wet de rechter de bevoegdheid geeft tot beoordeling van, of hem
verplicht om rekening te houden met de omstandigheden van het geval of met
gerechtvaardigde zwaarwegende gronden, beslist hij naar recht en
billijkheid.
C.
Bepalingen van algemene aard
ARTIKEL 5.-
Algemene bepalingen in dit Wetboek en in het Wetboek van verbintenissenrecht
zijn voor zover geschikt van toepassing op alle burgerrechtelijke
rechtsbetrekkingen.
D.
Bewijsregels
I.
Bewijslast
ARTIKEL 6.-
Indien de wet niet anders bepaalt, rust op ieder de last de aanwezigheid te
bewijzen van de feiten waarop hij zijn recht baseert.
II. Bewijs door openbare akten
ARTIKEL 7.-
Openbare registers en openbare akten vormen bewijs van de juistheid van de
daarin neergelegde feiten.
Het bewijs dat de daarin
opgenomen feiten onjuist zijn is, tenzij de wetten anders bepalen, aan geen
enkele vorm gebonden.
BOEK
EEN
PERSONENRECHT
DEEL
EEN
NATUURLIJKE PERSONEN
TITEL EEN
PERSOONLIJKHEID
A. In
het algemeen
I. Rechtsbevoegdheid
ARTIKEL 8.-
Iedere persoon heeft rechtsbevoegdheid.
Dienovereenkomstig hebben allen,
binnen de grenzen van het recht, dezelfde bevoegdheid om rechten en
verplichtingen te hebben.
II. Handelingsbekwaamheid
1. Inhoud
ARTIKEL 9.-
Wie handelingsbekwaam is, kan door eigen handelen een recht verwerven en een
verplichting aangaan.
2.
Voorwaarden
a. In
het algemeen
ARTIKEL 10.-
Iedere meerderjarige die onderscheidingsvermogen bezit en niet onder
curatele staat, is handelingsbekwaam.
b. Meerderjarigheid
ARTIKEL 11.-
Meerderjarigheid vangt aan met het bereiken van de achttienjarige leeftijd.
Huwelijk maakt een persoon
meerderjarig.
c. Meerderjarigverklaring
ARTIKEL 12.-
Een minderjarige die de leeftijd van vijftien jaar heeft bereikt, kan op
eigen verzoek en met toestemming van zijn ouder door de rechtbank
meerderjarig worden verklaard.
d. Onderscheidingsvermogen
ARTIKEL 13.-
Wie niet vanwege zijn minderjarigheid, geestelijke stoornis, zwakzinnigheid,
dronkenschap of om vergelijkbare redenen de bekwaamheid mist om zich op een
verstandige manier te gedragen, beschikt over onderscheidingsvermogen in de
zin van deze wet.
III. Handelingsonbekwaamheid
1. In het
algemeen
ARTIKEL 14.-
Degenen bij wie het onderscheidingsvermogen ontbreekt, minderjarigen en
onder curatele gestelden zijn handelingsonbekwaam.
2.
Ontbreken van onderscheidingsvermogen
ARTIKEL 15.-
Behoudens andersluidende wettelijke bepalingen hebben handelingen van een
persoon zonder onderscheidingsvermogen geen rechtsgevolg.
3.
Minderjarigen en onder curatele gestelden die over onderscheidingsvermogen
beschikken
ARTIKEL 16.-
Minderjarigen en onder curatele gestelden die over onderscheidingsvermogen
beschikken kunnen zolang de toestemming van de wettelijke vertegenwoordigers
ontbreekt niet door eigen handelingen een verplichting aangaan. Bij een
verkrijging om niet en bij uitoefening van rechten die nadrukkelijk
persoonsgebonden zijn, is deze toestemming niet vereist.
Minderjarigen en onder curatele
gestelden die over onderscheidingsvermogen beschikken, zijn verantwoordelijk
voor hun onrechtmatige handelingen.
IV. Verwantschap
1.
Bloedverwantschap
ARTIKEL 17.-
De graad van bloedverwantschap blijkt uit het aantal geboorten waardoor de
verwanten aaneengebonden worden.
Verwantschap in de opgaande en
neergaande linie bestaat tussen personen die van elkaar afstammen;
verwantschap in de zijlinie bestaat tussen personen die niet van elkaar
afstammen, maar wel dezelfde afkomst
hebben.
2.
Aanverwantschap
ARTIKEL 18.-
De echtgenoot en de bloedverwanten van de andere echtgenoot worden
aanverwanten in dezelfde soort en graad.
Aanverwantschap eindigt niet bij
het eindigen van het huwelijk waardoor deze tot stand kwam.
V. Woonplaats
1.
Begripsbepaling
ARTIKEL 19.-
Woonplaats is de plaats waar een persoon verblijft met de bedoeling om daar
voortdurend te blijven.
Een persoon kan niet gelijktijdig
meer dan één woonplaats hebben.
Deze regel is niet van toepassing
op handels- en industriële ondernemingen.
2.
Wijziging van woonplaats en verblijfplaats
ARTIKEL 20.-
De wijziging van een woonplaats is afhankelijk van het verkrijgen van een
nieuwe woonplaats. Voor een persoon wiens eerdere woonplaats niet duidelijk
is of die na het verlaten van zijn woonplaats in het buitenland nog geen
woonplaats in Turkije heeft verkregen, zal de verblijfplaats als woonplaats
gelden.
3.
Wettelijk woonplaats
ARTIKEL 21.-
De woonplaats van een kind dat onder ouderlijk gezag staat, is die van zijn
moeder en vader. Indien moeder en vader geen gemeenschappelijke woonplaats
hebben, is de woonplaats van het kind die van de moeder of vader aan wie het
is toevertrouwd. In overige gevallen geldt de verblijfplaats van het kind
als zijn woonplaats.
De woonplaats van personen die
onder voogdij staan, is de plaats waar de voogdij-instelling waaraan zij
verbonden zijn, zich bevindt.
4.
Verblijf in instellingen
ARTIKEL 22.-
Het verblijf op een plaats om onderwijs te volgen of de plaatsing in een
opleidings-, gezondheids-, behandelings- of strafinstelling heeft niet tot
gevolg dat een nieuwe woonplaats wordt verkregen.
B. Bescherming van de persoonlijkheid
I. Tegen het afzien en excessief
beperken
ARTIKEL 23.-
Niemand kan van zijn rechtsbevoegdheden en handelingsbekwaamheden afzien,
ook niet gedeeltelijk.
Niemand kan van zijn vrijheden
afzien of deze beperken in strijd met het recht of de zedelijkheid.
Met schriftelijke toestemming is
het mogelijk dat menselijk biologisch materiaal wordt afgenomen,
geïnjecteerd en getransporteerd. Echter, van degene die de verplichting is
aangegaan om biologisch materiaal af te staan, kan geen nakoming van zijn
verplichting worden verzocht; vergoeding van materiële en immateriële schade
kan niet worden verzocht.
II. Tegen aantasting
1.
Beginsel
ARTIKEL 24.-
Wie in strijd met het recht in zijn persoonlijkheid is aangetast, kan de
rechter verzoeken om bescherming tegen de aantasters.
Zolang de toestemming ontbreekt
van degene die in zijn persoonlijkheid is beschadigd, of zolang de inbreuk
niet gerechtvaardigd is door een privé of openbaar belang van een hogere
orde of om een van de redenen die het recht geeft van de bevoegdheid gebruik
te maken, zal elke verrichte aantasting van de persoonlijkheidsrechten in
strijd met het recht zijn.
2.
Procedures
ARTIKEL 25.-
De verzoeker kan de rechter verzoeken om het gevaar van aantasting te
voorkomen, de voortdurende aantasting te beëindigen of te bepalen dat de
voortdurende effecten van een reeds geëindigde aantasting in strijd met het
recht zijn.
De verzoeker kan bovendien verzoeken dat een verbetering of de beslissing
aan derden bekend wordt gemaakt of wordt gepubliceerd.
De verzoeker behoudt het recht om samen met het verzoek tot materiële en
immateriële schadevergoeding te verzoeken dat de winst verkregen uit een
aantasting in strijd met het recht overeenkomstig de bepalingen van
onbevoegde vertegenwoordiging aan hemzelf wordt toegekend.
Het verzoek om immateriële
schadevergoeding kan niet worden overgedragen zolang dit door de wederpartij
niet is geaccepteerd; zolang het verzoek door de erflater niet naar voren
gebracht is, gaat het niet over op de erfgenamen.
De verzoeker kan ter bescherming
van zijn persoonlijkheidsrechten procederen bij de rechtbank van zijn eigen
woonplaats of van de woonplaats van de wederpartij.
III. Recht betreffende de naam
1.
Naamsbescherming
ARTIKEL 26.-
Een persoon wiens recht op gebruik van zijn naam wordt betwist, kan
verzoeken zijn recht vast te stellen. Een persoon wiens naam onrechtmatig
wordt gebruikt, kan de beëindiging hiervan verzoeken; indien de onbevoegde
gebruiker schuld heeft, kan bovendien worden verzocht om vergoeding van de
materiële schade en indien de aard van het geleden onrecht dat vereist, kan
om vergoeding van immateriële schade worden verzocht.
2.
Naamswijziging
ARTIKEL 27.-
Naamswijzing kan slechts wegens gegronde redenen aan de rechter worden
verzocht.
De naamswijziging wordt in het
bevolkingsregister geregistreerd en gepubliceerd.
Door een wijziging van de naam
wijzigt niet de persoonlijke staat.
Wie door de naamswijziging nadeel
ondervindt, kan binnen een jaar na de dag dat hij deze vernomen heeft om
opheffing van de wijzigingsbeslissing verzoeken.
C. Het
begin en einde van de persoonlijkheid
I. Geboorte en overlijden
ARTIKEL 28.-
De persoonlijkheid vangt aan op het tijdstip dat het kind volledig en levend
ter wereld is gekomen en eindigt bij de dood.
Onder de voorwaarde dat het
levend geboren wordt, verkrijgt het kind rechtsbevoegdheid vanaf het
tijdstip van verwekking.
II. Bewijs van het in leven en
dood zijn
1.
Bewijslast
ARTIKEL 29.-
Een persoon die met het oog op het gebruik van een recht beweert dat een
persoon levend of dood is, of op een bepaald tijdstip of bij de dood van een
andere persoon in leven was, is verplicht om zijn bewering te bewijzen.
Indien van meerdere personen niet
bewezen kan worden wie eerder of later is overleden, worden zij geacht
gelijktijdig te zijn overleden.
2.
Bewijsmiddelen
a. In het algemeen
ARTIKEL 30.-
De geboorte en het overlijden van een persoon worden bewezen door de
registraties in het bevolkingsregister. Indien een registratie in het
bevolkingsregister ontbreekt of indien blijkt dat de aanwezige registratie
niet correct is, kan de werkelijke situatie met elke vorm van bewijs bewezen
worden.
b. Vermoeden van overlijden
ARTIKEL 31.-
Indien een persoon verdwijnt onder omstandigheden waaronder zijn overlijden
als zeker moet worden aangenomen, wordt hij geacht werkelijk te zijn
overleden, ook indien zijn lijk niet is gevonden.
III. Beslissing van vermissing
1. In het
algemeen
ARTIKEL 32.-
Indien omtrent een persoon die is verdwenen terwijl hij in levensgevaar
verkeerde of van wie lange tijd geen bericht is verkregen, een sterke
mogelijkheid bestaat dat hij dood is, kan de rechtbank, op verzoek van
degenen die aan deze dood rechten ontlenen, beslissen dat deze persoon
vermist is.
Bevoegd is de rechtbank van de laatste woonplaats in Turkije van de
[vermiste] persoon, of indien hij nooit in Turkije woonplaats heeft gehad,
van de plaats waar hij in het bevolkingsregister staat ingeschreven; of
indien ook zulk een registratie ontbreekt de rechtbank van de plaats waar
zijn moeder of vader staat ingeschreven.
2. Wijze
van procederen
ARTIKEL 33.-
Om een verzoek om een beslissing tot vermissing te kunnen doen, zal sinds
het levensgevaar ten minste één jaar of sinds de datum van het laatste
bericht ten minste vijf jaar verstreken moeten zijn.
De rechtbank roept op de daarvoor
voorgeschreven wijze van bekendmaking personen die informatie hebben omtrent
de persoon over wiens vermissing zal worden beslist op om binnen een
bepaalde termijn informatie te geven.
Deze termijn bedraagt ten minste
zes maanden vanaf de dag waarop de eerste bekendmaking is gedaan.
3. Verval
van verzoek
ARTIKEL 34.-
Indien de persoon over wiens vermissing beslist zal worden, verschijnt
voordat de bekendmakingstermijn is verstreken of indien van hem bericht
wordt ontvangen dan wel de datum van zijn overlijden komt vast te staan,
vervalt het verzoek om tot vermissing te beslissen.
4.
Rechterlijke beslissing
ARTIKEL 35.-
Indien de bekendmaking niet tot een resultaat heeft geleid, beslist de
rechtbank tot vermissing en zullen de aan de dood gerelateerde rechten
worden uitgeoefend alsof het overlijden van de vermiste is bewezen.
De beslissing tot vermissing
heeft werking vanaf het tijdstip dat het levensgevaar zich heeft
verwezenlijkt of vanaf de dag dat het laatste bericht is ontvangen.
TITEL TWEE
REGISTER VAN DE
BURGERLIJKE STAND
A. In
het algemeen
I. Register
Artikel 36.-
De burgerlijke staat wordt
bepaald door een voor dit doel gehouden officieel register.
Het houden van dit register en de
vermelding van de verplichte gegevens worden geregeld door de daarop
betrekking hebbende wet.
II. Bevoegde ambtenaar
Artikel 37.-
Het register van de burgerlijke sta |